organisatie

6.1 organisatieniveaus

1

organisatieniveaus

wat ga je doen?

In dit onderdeel van de module 'regulatie' ga je meer leren over organisatieniveaus in de biologie, ga je je verdiepen in biologische hoofdthema's en leer je wat emergentie is. Daarnaast ga je meer leren over oplossingen, volumes, concentraties en dichtheid.
Ook ga je rekenen aan volumes aan leer je wat molariteit is. Om te oefenen met sommen over concentraties, molariteit en dichtheid ga je een google-form toets maken, waarmee jij ander leerlingen laat oefenen met jou vragen.
Uiteindelijk ga een aantal verschillende onderzoeken opzetten waarbij je suiker laat gisten, waardoor alcohol ontstaat, ga je onderzoeken hoe je de diffusiesnelheid kunt beïnvloeden en ga je de kloppende vacuole van een pantoffeldiertje beïnvloeden met behulp van een verdunningsreeks aan zoutoplossing.
Tevens leer je wat diffusie, osmose en actief transport is en kun je deze begrippen toepassen binnen enkele hoofdthema's van de biologie.

organisatieniveaus

organisatieniveaus & biologische eenheden

Organismen zijn georganiseerd in de onderstaande biologische eenheden:

  • molecuul
  • organel
  • cel
  • weefsel
  • orgaan
  • orgaanstelsel
  • organisme
  • populatie
  • levensgemeenschap
  • ecosysteem
  • biosfeer

1 Zoek met behulp van Google naar een omschrijving van de bovenstaande biologische eenheden en vat deze kort samen.

2 In de module 'ontwikkeling' heb je geleerd wat prokaryoten, protisten en eukaryoten zijn (gebruik eventueel Google).

  • Welk organisatieniveau is wel aanwezig bij eukaryoten, maar ontbreekt bij prokaryoten?
  • Welke drie organisatieniveaus ontbreken bij eencellige protisten?

emergente eigenschappen

In de biologie worden verschillende organisatieniveaus van een organisme bestudeerd. Op elk hoger organisatieniveau verschijnen nieuwe eigenschappen. Deze eigenschappen worden emergente eigenschappen genoemd.

emergente eigenschappen & organisatieniveaus

Een bepaalde chemische reactie (moleculair niveau) kan in een cel (cellulair niveau) een bepaalde handeling veroorzaken. Deze bepaalde handeling is een nieuwe eigenschap op een hoger niveau en wordt een emergente eigenschap genoemd.

vleugel en vogel

Een vleugel van een vogel (orgaanniveau) kan zelf niet vliegen. Deze vleugel kan pas vliegen als deze wordt aangestuurd door een vogel. Pas op het niveau van het organisme treedt de emergente eigenschap vliegen op.

konijnen en vossen

Binnen een populatie konijnen kan geen predatie (vraat) voorkomen. Deze emergente eigenschap ontstaat op het organisatieniveau levensgemeenschap. Binnen een levensgemeenschap kan bijvoorbeeld een vos een konijn opeten.

3 Hierboven zijn een aantal emergente eigenschappen tussen verschillende organisatieniveaus beschreven.

  • Leg uit waarom de emergente eigenschap voortplanten pas optreedt op het organisatieniveau populatie.
  • Leg uit waarom de emergente eigenschap stevigheid bij een bot pas optreedt op het organisatieniveau orgaan.
  • Leg uit waarom de emergente eigenschap klimaat pas optreedt op het organisatieniveau biosfeer.

hoofdthema's

Zelfregulatie, zelforganisatie, interactie, reproductie en evolutie zijn biologische hoofdthema's die op verschillende organisatieniveaus onderzocht kunnen worden.

zelfregulatie

Biologische eenheden zijn in staat zichzelf in stand te houden door zelfregulatie.

zelforganisatie

Complexe zelfregulatie wordt mogelijk gemaakt doordat Biologische eenheden zichzelf organiseren.

interactie

Als biologische eenheden op elkaar reageren is sprake van interactie.

reproductie

Door reproductie (vermeerdering of voortplanting) blijft een soort in stand.

evolutie

Door selectie overleven alleen de best aangepaste organismen.

Q context bijenkasten

bijenvolk

In een bijenkast leeft een populatie bijen. Deze populatie bestaat uit één koningin, werksters en darren. Bijenpopulaties (een volk) bestaan gemakkelijk uit tienduizenden bijen. De koningin en de werksters zijn vrouwelijk en de darren zijn mannelijk.

koningin

Alleen de koningin legt eitjes. Deze eitjes legt de koningin in raten. Deze raten zijn door werksters gemaakt.

bruidsvlucht

In het voorjaar maakt de koningin een 'bruidsvlucht'. Tijdens deze bruidsvlucht wordt de koningin door darren van een andere kast bevrucht. De rest van het jaar blijft de koningin in de kast.

nieuw volk

Elk jaar verlaat de 'oude' koningin met een deel van het bijenvolk de kast en zoekt een sticht een nieuw volk. Omdat de werksters aan een aantal larven speciale aandacht geven, ontwikkelen deze larven zich tot koninginnen. Van deze koninginnen blijft uiteindelijk alleen de sterkste koningin over.

kastemperatuur

In een bijenkast is het zomer en winter altijd ongeveer 37 ℃. Dit komt omdat alle bijen in de kast samenwerken en als het ware een grote airconditioner vormen. In de winter produceren ze warmte door de honing die ze in de loop van het jaar verzameld hebben te verbranden waardoor warmte ontstaat. In de zomer zorgen ze met hun vleugels voor een constante warmteafvoer. De energie die bijen nodig hebben om de condities in de kast constant te houden, halen bijen uit het verbranden van honing.

een werkster met stuifmeel aan haar poten op zoek naar nectar

Bijen zetten nectar uit bloemen om in honing. Deze honing slaan ze op in raten. In de raten in het midden van een kast wordt broed (larven en poppen) gekweekt. In de overige raten wordt honing opgeslagen. Naast honing verbruiken bijen ook stuifmeel.

insectenbloemen

Insectenbloemen lokken insecten (in dit geval bijen) aan met geur, kleur en nectar. Bij de zoektocht van bijen naar nectar en stuifmeel bestuiven bijen (en andere insecten) bloemen.

bijendans

Bijen maken met behulp van een soort dansje aan elkaar duidelijk waar zich een voedselbron bevindt (nectar). Met behulp van deze bijendans kunnen werksters met elkaar communiceren.

4 Een context is een artikel waarover vragen gesteld kunnen worden. Lees de bovenstaande context.

  • Leg uit dat de bijendans interactie op het niveau van organisme en niet interactie op het niveau van populatie is.
  • Leg uit waarom het op temperatuur houden van de kast zelfregulatie op populatieniveau is.
  • Leg uit dat het scheiden van honing en broed een vorm van zelforganisatie op populatieniveau is.
  • Leg uit dat de speciale verzorging van koninginnenlarven zelforganisatie op populatieniveau is.
  • Leg uit dat het bestuiven van bloemen interactie is op levensgemeenschap niveau.
  • Leg uit dat het verbranden van honing interactie op moleculair niveau is.
  • Leg uit dat bruidsvlucht van de koningin reproductie op populatieniveau is.
  • Leg uit dat het groeien van de bijenlarven in het broed een vorm van reproductie op celniveau is.

 

molariteit

concentratie bij vloeistoffen

Als je veel suiker oplost in bijvoorbeeld een kopje thee, is er sprake van een hoge concentratie suiker in de thee. De concentratie geeft aan hoeveel stof is opgelost in een bepaalde hoeveelheid oplosmiddel. In het geval van thee is water het oplosmiddel en is suiker de opgeloste stof.

volumeprocent (% vol.)

De concentratie van een oplossing kan worden uitgedrukt in volumeprocent:

volumeprocent =
(volume van het bestanddeel / volume van het mengsel) × 100

volume van het bestanddeel:
het volume van de zuiver stof.
volume van het mengsel:
het totale volume.

5 Op de vorige pagina is een fles Gin afgebeeld. Op het label staat: 47% vol. Dit betekent dat het volumeprocent alcohol 47% van het totale volume is.

  • ? gegeven:
    volume fles = 100 cL
    volumeprocent alcohol = 47% vol.
    formule:
    volumeprocent =
    (volume van het bestanddeel / volume van het mengsel) × 100
    berekening:
    47% vol. = (? / 100 cL) * 100
    = 47 cL alcohol
    conclusie:
    In een fles van 100 centiliter zit 47 centiliter alcohol.
    Hoeveel centiliter alcohol zit in een fles van 100 cL?
  • Gin wordt vaak gebruikt als mix drankje. Bij een mix-drankje wordt bijvoorbeeld gin bij tonic (een bittere frisdrank) gedaan.
    • ? gegeven:
      100 cL gin bevat 47 cL alcohol
      mix: 5 cL gin + 50 cL tonic = 55 cL vloeistof formule:
      volumeprocent =
      (volume van het bestanddeel / volume van het mengsel) × 100
      berekening:
      100 cL gin bevat 47 cL alcohol
      dus
      5 cL gin bevat 47/(100/5) = 2,35 cL alcohol
      volumeprocent = (2,35 cL / 55 cL) × 100 = 4,27% vol.
      conclusie:
      Het volumeprocent alcohol van het mix-drankje is 4,27% vol.
      Stel dat iemand 5 cL Gin bij 50 cL tonic in zijn mix-drankje doet, hoeveel volumeprocent alcohol zit dan in het mix-drankje?

massaconcentratie (ρ)

Naast volumeprocent wordt ook massaconcentratie (Griekse letter ρ (rho)) gebruikt om de concentratie van een oplossing uit te drukken. De grootheid massaconcentratie (ρ) wordt uitgedrukt in gram per liter (g/L).

ρA = mA / Voplossing

De massaconcentratie (ρA) is de massa van een opgeloste stof (mA) gedeeld door het volume (V) van de oplossing.
Wanneer men 10,05 gram glucose (een soort suiker) in ½ liter water oplost (V = 0,5 L), is de massaconcentratie van glucose:
ρglucose = mglucose / V = 10,05 / 0,5 = 20,1 g/L

6 Bij het koken van aardappels wordt vaak voor de smaak zout aan het water toegevoegd.

  • ? gegeven:
    2 gram zout in 4 liter water
    formule:
    ρzout = mzout / Vwater
    berekening:
    2 / 4 = 0,5 g/L
    conclusie:
    De massaconcentratie van 2 gram zout in 4 liter water is 0,5 g/L
    Als iemand 2 gram zout oplost in 4 liter water hoe groot is dan de massaconcentratie van zout?
  • ? gegeven:
    20 gram zout in 0,4 liter water
    formule:
    ρzout = mzout / V
    berekening:
    20 / 0,4 = 50 g/L
    conclusie:
    De massaconcentratie van 20 gram zout in 0,4 liter water is 50 g/L
    Als iemand 20 gram zout toevoegt aan 0,4 liter water hoe groot is dan de massaconcentratie van zout?

dichtheid (ρ)

Met de dichtheid wordt de massa van een bepaalde stof (materiaal) bij een bepaald volume. De grootheid van de dichtheid wordt net als de massaconcentratie de Griekse letter ρ (rho) gebruikt. De dichtheid wordt echter niet uitgedrukt in gram per liter (g/L), maar in gram per kubieke centimeter (g/cm³)

ρA = mA / VA

De dichtheid is de massa van een bepaald materiaal bij een bepaalde volume-eenheid.

dichtheid van verschillende materialen:

  • ρwater = 1 g/cm³
  • ρzeewater = 1,1 g/cm³
  • ρgoud = 19,3 g/cm³
  • ρstaal = 8 g/cm³
  • ρsteen (rots) = 3 g/cm³

7 Leg uit dat ρzeewater hoger is dan de ρwater.

8 Leg aan de hand van de bovenstaande afbeelding uit dat goud, staal en rots zinken in water. Gebruik in je uitleg de grootheid ρ.

9 Eén kubieke meter (m³) is gelijk aan 1000 liter, Eén kubieke decimeter (dm³) is gelijk aan 1 liter, Eén kubieke centimeter (cm³) is gelijk aan 1 milliliter,

  • Leg uit dat m³, dm³ en cm³ volumematen zijn
  • De dichtheid van goud is ρgoud = 19,3 g/cm³
    • $ Leg uit dat ρgoud = 19,3 g/cm³ hetzelfde is als ρgoud = 19,3 kg/dm³

10 Iemand wil weten of een sieraad wel echt goud is.

  • Leg uit dat je met behulp van een maatcilinder en een elektronische weegschaal kunt bepalen of een sieraad echt goud is.

11 Bepaal zelf met behulp van een maatcilinder en een elektronische weegschaal de dichtheid (ρ) van ten minste drie verschillende materialen.

nodig:
  • elektronische weegschaal
  • maatcilinder
  • 3 materialen
  • Beschrijf kort je werkwijze.
  • Bereken de dichtheid en maak steeds foto's van je proefopstelling en plak deze in je document.

12 ρkoolstofdioxide is 1,97 kg/m³.

  • Leg uit waarom ρkoolstofdioxide wordt uitgedrukt in kg/m³ in plaats van g/cm³.

mol

Met mol (meervoud molen) wordt in de scheikunde het aantal deeltjes aangegeven. Dit kunnen moleculen, atomen, ionen en zelfs elektronen zijn. Een mol is gelijk aan 6,02214✕10²³ deeltjes (een 6 met 23 nullen). In een mol glucose zitten dus 602.214.000.000.000.000.000.000 moleculen glucose.

13 Als je keukenzout (NaCl) oplost in water ontstaat een zoutoplossing. In een zoutoplossing splitst keukenzout in natrium-ionen (Na⁺) en chloor-ionen (Cl⁻).

NaCl (s) + H₂O (l) → Na⁺ (l) + Cl⁻ (l) + H₂O (l)

  • Wat betekenen (s) en (l) in de bovenstaande reactievergelijking (zie module dynamiek).

14 Leg uit dat als je 1 mol keukenzout (NaCl) oplost in water er zowel één mol natrium-ionen (Na⁺) als één mol chloor-ionen (Cl⁻) ontstaan.

15 Bij fotosynthese ontstaat glucose.

fotosynthese: CO₂ + H₂O + zonlicht → C₆H₁₂O₆ + O₂

  • In de module 'energie' heb je geleerd hoe je de bovenstaande reactievergelijking kloppend moet maken.

fotosynthese: 6 CO₂ + 6 H₂O + zonlicht → C₆H₁₂O₆ + 6 O₂

  • Omdat in glucose (C₆H₁₂O₆) 6 koolstofatomen (C) en 12 waterstofatomen (H) zitten heb je minimaal 6 moleculen koolstofdioxide (CO₂) en 6 moleculen water (H₂O) nodig. Omdat er meer zuurstofatomen zitten in 6 moleculen koolstofdioxide (CO₂) en 6 moleculen water (H₂O) dan nodig is voor het maken van één molecuul glucose blijven 6 moleculen zuurstof (O₂) over.
    • ? gegeven:
      6 CO₂ + 6 H₂O → C₆H₁₂O₆ + 6 O₂
      conclusie
      er is 6 mol CO₂ nodig
      Hoeveel mol koolstofdioxide (CO₂) is nodig voor de productie van één mol glucose (C₆H₁₂O₆)?
    • ? gegeven:
      6 CO₂ + 6 H₂O → C₆H₁₂O₆ + 6 O₂
      conclusie
      er ontstaat 6 mol O₂
      Hoeveel mol zuurstof (O₂) ontstaat bij de productie van één mol glucose (C₆H₁₂O₆)?
    • ? gegeven:
      6 CO₂ + 6 H₂O → C₆H₁₂O₆ + 6 O₂
      analyse:
      er is 6 mol H₂O nodig
      berekening:
      6 × 6,02214×10²³
      = 3,613284×10²⁴ deeltjes
      conclusie
      Voor de productie van één mol glucose is het aantal van 3,613284×10²⁴ deeltjes water nodig.
      Hoeveel watermoleculen (aantallen!) zijn nodig voor de productie van één mol glucose (C₆H₁₂O₆)?

molariteit

De molariteit (M) is een maat voor de sterkte van een oplossing van een bepaalde stof. De molariteit (M) kan berekend worden met de volgende formule:

molariteit = mol (opgelost) / volume oplossing (M = n / V)

  • M = molariteit in mol / l
  • n = aantal mol opgeloste stof
  • V = volume in liter

16 Als je weet hoeveel mol keukenzout (NaCl) is opgelost in een bepaalde hoeveelheid water (H₂O), kun je de molariteit van deze oplossing berekenen.

  • ? gegevens: 0,75 mol NaCl en 4,2 liter water
    molariteit = 0,75 mol / 4,2 L = 0,17857142 M
    Wat is de molariteit van een oplossing van 0,75 mol keukenzout (NaCl) in 4,2 liter water?

molaire massa

Een mol van een bepaalde stof heeft een bepaald gewicht. De Molaire massa van bijvoorbeeld glucose (C₆H₁₂O₆) is 180,16 g/mol.

17 Zoek met behulp van Google naar de molaire massa van de volgende stoffen:

  • ? water (H₂O) = 18,01528 g/mol water (H₂O)
  • ? zuurstof (O₂) = 31,9988 g/mol zuurstof (O₂)
  • ? koolstofdioxide (CO₂) = 44,01 g/mol koolstofdioxide (CO₂)
  • ? gegeven:
    molaire massa zuurstof (O₂) = 31,9988 g/mol
    6 CO₂ + 6 H₂O → C₆H₁₂O₆ + 6 O₂
    analyse:
    er ontstaat 6 mol O₂
    berekening:
    aantal gram:
    6 mol O₂ = 6 mol 31,9988 g/mol
    conclusie:
    Bij de productie van één mol glucose ontstaat 191,9928 gram zuurstof.
    Hoeveel gram zuurstof (O₂) ontstaat bij de productie van één mol glucose (C₆H₁₂O₆) bij fotosynthese?

Q context whiskystokerij

Lex heeft een kleine whiskystokerij. Lex laat gerst (een bepaald type graan) ontkiemen in water waarbij de zetmeel in de gerst wordt omgezet tot suiker. Dit wordt gedroogd en vermalen en er wordt heet water aan toegevoegd.

Vervolgens wordt suiker door toevoeging van gist omgezet tot alcohol. Er ontstaat uiteindelijk een vloeistof met een laag volumepercentage alcohol. Het alcoholpercentage van whisky is in werkelijkheid veel hoger dan het volumepercentage van deze oplossing. Lex moet het mengsel nog gaan concentreren.

Door middel van een proces dat destillatie heet, brengt hij het alcoholpercentage naar 65% vol.. Daarna volgt een proces van rijping op houten vaten voor extra smaak.

alcoholgisting

18 In de module 'ontwikkeling' heb je voor het eerst kennis gemaakt met alcoholgisting. Bij alcoholgisting wordt glucose (C₆H₁₂O₆) omgezet in alcohol (C₂H₅OH). Bij deze reactie komt koolstofdioxide (CO₂) vrij. Alcoholgisting wordt veroorzaakt door gisten. Gisten zijn eencellige protisten die veel kenmerken hebben van schimmels.

  • Zoek met behulp van Google naar microscopische afbeeldingen van gisten en plak deze afbeeldingen in je document.
  • In de module 'ontwikkeling' heb je geleerd hoe je organismen moet indelen in domeinen en rijken.
    • Tot welk domein en tot welk rijk behoren gisten (gebruik eventueel Google)?

19 Bij alcoholgisting ontstaat alcohol (C₂H₅OH) en koolstofdioxide (CO₂).

alcoholgisting: C₆H₁₂O₆ → C₂H₅OH + CO₂

  • ? C₆H₁₂O₆ → 2 C₂H₅OH + 2 CO₂ Maak de bovenstaande reactievergelijking kloppend.
  • In de module 'systemen' heb je op je eigen website in het onderdeel stofwisseling de begrippen assimilatie en dissimilatie verwerkt.
    • Vindt alcoholgisting assimilatie of dissimilatie plaats (gebruik eventueel Google)?

destilleren

20 Zoek met behulp van Google op hoe het destilleren van alcohol in zijn werk gaat.

destilleerkolom

  • Vat het destillatieproces in je eigen woorden kort samen.
  • Waarom is het bij destillatie van belang dat de gemengde vloeistoffen (in dit geval water en alcohol) een verschillend kookpunt hebben?
  • Wat is het kookpunt van water en alcohol (gebruik eventueel Google)?

21 Zoek met behulp van Google naar de begrippen faseovergang, condensatie en verdampen.

  • Beschrijf de begrippen aggregatietoestand, condensatie en verdampen in je eigen woorden. Gebruik hierbij de woorden aggregatietoestand en faseovergang.
  • condensatie: C₂H₅OH (g) → C₂H₅OH (l)
    verdampen: C₂H₅OH (l) → C₂H₅OH (g)
    • In de module 'dynamiek' heb je geleerd wat (s) (Eng: solid), (g) (Eng: gas) en (l) (Eng: liquid) in een reactievergelijking betekenen.
      • Leg uit dat met behulp van de letters (g) en (l) in de bovenstaande reactievergelijking het verschil tussen condensatie en verdamping uit.
      • Bij welk proces moet je warmte toevoegen en bij welk proces moet je warmte afvoeren?
  • Wat is de functie van de thermometer in de destilleerkolom hierboven?
  • Wat is de functie van waterkoeling in de destilleerkolom hierboven?

22 Waterdamp (H₂O (g)) komt niet alleen maar voor bij temperaturen boven de 100 ℃, maar komt ook voor bij bijvoorbeeld kamertemperatuur 20 ℃.

  • Leg aan de hand van het bovenstaande uit dat er altijd water in het destillaat achter zal blijven.
  • Leg aan de hand van het bovenstaande uit hoe vaker het destillatieproces uitgevoerd wordt, dat hoe hoger het volumeprocent alcohol van het destillaat wordt.

23 Het volumeprocent alcohol van het mengsel dat Lex in zijn destilleerkolom gaat destilleren is 7,5% vol. alcohol. Het destillaat heeft uiteindelijk een volumeprocent van 65% vol. alcohol.

  • ? gegeven:
    1 liter mengsel 7,5% vol. alcohol
    destillaat 65% vol. alcohol
    analyse
    Lex kan niet meer dan 75 mL alcohol in zijn destillaat hebben, omdat 7,5% van 1000 mL 75 mL is.
    formule
    volumeprocent =
    (volume van het bestanddeel / volume van het mengsel) × 100
    berekening
    65% vol. = (75 mL / × mL) × 100
    0,65 = 75 / × → 0,65x = 75 → × = 75/0,65 ~ 115,4
    conclusie
    uit 1000 mL mengsel van 7,5% vol. alcohol ontstaat door destillatie maximaal 115,4 mL destillaat van 65% vol. alcohol.
    Hoeveel destillaat van 65% vol. alcohol kan Lex maximaal maken van 1 liter mengsel van 7,5% vol. alcohol?

24 Zoek met behulp van Google naar de dichtheid (ρ) van alcohol in gram per kubieke centimeter (g/cm³) bij kamertemperatuur (20 ℃).

  • ? ρalcohol = 0,79 g/cm³ Wat is de dichtheid van alcohol bij 20 ℃ bij kamertemperatuur (20 ℃)?
  • ? gegeven
    ρalcohol = 0,79 g/cm³
    volume destillaat is 115,4 mL
    in het destillat bevindt zich 75 mL alcohol
    analyse
    volume alcohol: 75 mL = 75 cm³
    formule
    dichtheid: ρalcohol = malcohol / V
    berekening
    malcohol = 75 cm³ × 0,79 g/cm³ = 59,25 g
    conclusie
    In lex destillaat bevindt zich 59,25 gram alcohol.
    Hoeveel gram alcohol zit bij kamertemperatuur in het destillaat van Lex?
  • ? gegeven
    59,25 gram alcohol in 75 milliliter destillaat formule
    massaconcentratie: ρalcohol = malcohol / V
    berekening
    massaconcentratie: ρalcohol = 59,25 / 0,115 ≈ 515,2 g/L
    conclusie
    De massaconcentratie van het destillaat van Lex is ongeveer 515,2 g/L.
    Wat is de massaconcentratie alcohol in het destillaat van Lex?

25 Zoek met behulp van Google naar de molaire massa van alcohol in gram per mol.

  • ? molaire massa alcohol = 46,06844 g/mol Wat is de molaire massa van alcohol?
  • ? gegeven:
    molaire massa alcohol = 46,06844 g/mol ≈ 46,06 g/mol
    In het destillaat van Lex bevindt zich 59,25 gram alcohol.
    analyse:
    Een mol alcohol heeft een massa van ongeveer 46,06 gram.
    berekening/conclusie:
    In het destillaat van Lex bevindt zich 59,25 / 46,06 ≈ 1,29 mol alcohol.
    Hoeveel mol alcohol bevindt zich in het destillaat van Lex?
  • ? gegeven:
    C₆H₁₂O₆ → 2 C₂H₅OH + 2 CO₂
    In het destillaat van Lex bevindt zich 1,29 mol alcohol.
    analyse
    1 mol C₆H₁₂O₆ levert 2 mol C₂H₅OH op.
    berekening/conclusie:
    Van het oorspronkelijke mengsel is 1,29/2 ≈ 0,65 mol glucose omgezet in alcohol.
    Hoeveel mol glucose van het oorspronkelijke mengsel is omgezet in alcohol?

26 Als je het gevoel hebt dat je meer uitleg nodig hebt, zoek dan met behulp van YouTube naar screencasts over volumeprocent, massaconcentratie, dichtheid, molariteit en molaire massa.

 

oefening

Google Forms

27 Met behulp van Google of YouTube kun je talrijke voorbeelden van opgaven over volumeprocent, massaconcentratie, dichtheid, molariteit en molaire massa vinden.

  • In de vorige module 'systemen' heb je geleerd hoe je moet werken met Google Forms en Google Sheets.
    • Open Google Forms en open een nieuw formulier.
    • Maak een minimaal 1 opgave over zowel volumeprocent, massaconcentratie, dichtheid, molariteit als molaire massa.

leren van elkaar

    • Geef onder het kopje feedback in de antwoordsleutel de gegevens, de analyse, formule, berekening en conclusie.

    feedback in Google Forms

    • Haal in Google Drive een deelbare link op en stuur deze naar minimaal 3 klasgenoten.
      • Plak de deelbare link naar het formulier in je document.
    • Laat je klasgenoten dit formulier invullen en open de resultaten in google-sheets
      • Plak de deelbare link naar google-sheets in je document.
      • Maak een screenshot van de resultaten en plak deze in je document.

 

eigen onderzoek gist

gist

Gist kun je in zakjes kopen in de supermarkt en kun je als blokjes krijgen bij een bakker. Gist wordt gebruikt om deeg te laten rijzen. Door de koolstofdioxide (CO₂) die vrijkomt bij het gistingsproces wordt het deeg luchtig. De alcohol die ontstaat verdampt bij het bakken.

28 In de module 'dynamiek' heb je met behulp van Coach 7 leren werken met een CO₂-sensor. Gebruik CO2-meten.

  • Bedenk een proefopstelling waarmee je met behulp van een CO₂-sensor en Coach 7 kunt aantonen dat koolstofdioxide ontstaat bij gisting.
  • i Stel een plan van aanpak op voor je onderzoek.
  • Maak foto's van je proefopstelling en maak screenshots van de resultaten in Coach 7 en plak deze in je document.

 

diffusie

diffusie

Deeltjes zoals atomen, moleculen en ionen zijn constant in beweging. Hoe hoger de temperatuur hoe sneller deeltjes bewegen. Omdat bewegende deeltjes tegen elkaar botsen verspreiden deeltjes zich na verloop van tijd gelijkmatig over de ruimte.

diffusie van zout dat oplost in water (schematisch)

In de animatie hiernaast is te zien hoe keukenzout (NaCl) diffundeert in water nadat het is opgelost.
NaCl(s) + H₂O(l) → Na⁺(l) + Cl⁻(l) + H₂O(l)
Na het oplossen van keukenzout botsen de natrium-ionen (Na⁺), Chloor-ionen (Cl⁻) en watermoleculen (H₂O) herhaaldelijk tegen elkaar waardoor de ionen en moleculen zich steeds gelijkmatiger verdelen. Uiteindelijk bevinden zich op elke plek in de oplossing evenveel natrium-ionen (Na⁺), Chloor-ionen (Cl⁻) en watermoleculen (H₂O).

massaconcentratie en diffusie

Door diffusie hebben stoffen in een mengsel na verloop van tijd overal in het mengsel dezelfde massaconcentratie. Omdat diffusie ontstaat door botsing van deeltjes vindt diffusie onherroepelijk plaats.

diffusiesnelheid

De diffusiesnelheid wordt beïnvloed door een aantal factoren:

  • Bij een hogere temperatuur diffunderen deeltjes als atomen, moleculen en ionen sneller dan bij een lagere temperatuur. Dit komt omdat deeltjes bij een hoger temperatuur sneller bewegen dan bij een lagere temperatuur.
  • Bij een hogere druk (bijvoorbeeld luchtdruk) diffunderen deeltjes als atomen, moleculen en ionen langzamer dan bij een lagere druk. Dit komt omdat deeltjes bij een hogere druk minder snel bewegen dan bij een lagere druk.
  • Deeltjes diffunderen sneller in gasvormige toestand dan in vloeibare toestand.
  • Grote deeltjes (bijvoorbeeld glucose moleculen (C₆H₁₂O₆)) diffunderen langzamer dan kleine deeltjes (bijvoorbeeld zuurstof (O₂)).
  • Als een vloeistof stroperig is heeft deze vloeistof een hoge viscositeit. Zo heeft honing heeft een hogere viscositeit dan water. Deeltjes diffunderen sneller bij een lage viscositeit dan bij een hoge viscositeit. Dit komt omdat deeltjes meer wrijving ondervinden in een vloeistof met een hoge viscositeit.
  • Deeltjes diffunderen sneller over een korte afstand dan over een lange afstand.
  • Deeltjes diffunderen sneller bij een groot oppervlak dan bij een klein oppervlak. Een groter oppervlak bij bijvoorbeeld kunstmatig gecreëerd worden door te schudden.

 

eigen onderzoek diffusie
discussie in een onderzoek

29 Onderzoek met behulp van reageerbuisjes, inkt, suiker, behangplaksel, een waterbad waarvan je temperatuur kunt instellen en een stolp met een vacuümpomp de factoren die de diffusiesnelheid kunnen beïnvloeden.

  • Bedenk proefopstellingen waarmee je de verschillende factoren die de reactiesnelheid kunnen beïnvloeden kunt onderzoeken.
  • i Stel een plan van aanpak op voor je onderzoeken.
    • Bespreek in je discussie of de factor die je hebt onderzocht, waarschijnlijk relevanter is bij diffusie bij gassen dan bij diffusie in vloeistoffen.
  • Maak foto's van je proefopstellingen en de resultaten en plak deze in je document.

 

osmose

osmose en diffusie

Osmose is een proces waarbij diffusie een belangrijke rol speelt.

Osmose is de diffusie van water door een halfdoorlatend membraan (semipermeabel) tegen het concentratieverval in.

concentratieverval

Diffusie vindt normaal gesproken plaats met het concentratieverval mee. Dit wil zeggen dat stoffen zich van een plek met een hoge concentratie diffunderen naar een plek met een lager concentratie.

semipermeabel membraan

Een semipermeabel membraan is een membraan (of vlies) dat bepaalde stoffen niet doorlaat en ander stoffen wel doorlaat.

celmembraan

Zoals je weet is elke cel omgeven door een celmembraan. Een celmembraan is semipermeabel. Door diffusie kunnen de meeste gassen, water en andere kleine moleculen door het celmembraan diffunderen. Grotere moleculen zoals glucose of eiwitten kunnen niet door het celmembraan diffunderen.

diffusie door een celmembraan (cellulair niveau)

Door de bouw van het celmembraan worden kunnen grotere moleculen zoals eiwitten, koolhydraten, vetten aminozuren, suikers en vetten niet door het celmembraan diffunderen. Moleculen als zuurstof, water en koolstofdioxide kunnen wel door het celmembraan diffunderen.

30 In de vorige module heb je geleerd uit welke kleinere moleculen eiwitten, vetten en koolhydraten zijn opgebouwd.

  • Uit welke bovengenoemde kleinere moleculen zijn eiwitten, vetten en koolhydraten opgebouwd (gebruik eventueel: Google)?

diffusie door een celmembraan (moleculair niveau)

passief transport

Omdat diffusie geen energie kost en vanzelf plaatsvindt wordt diffusie passief transport genoemd. In het vorige onderdeel zijn door je klas websites gemaakt over orgaanstelsels. In het ademhalingsstelsel vindt gaswisseling plaats. Gaswisseling vindt in je hele lichaam plaats door met name diffusie.

actief transport

Als cellen wel groter moleculen willen opnemen kan dit niet door diffusie, omdat grotere moleculen niet door het celmembraan kunnen diffunderen. Het opnemen van grotere moleculen vindt plaats door speciale transporteiwitten die in het celmembraan liggen. Het opnemen van stoffen die niet uit zichzelf door het celmembraan diffunderen kost energie.

transport grotere moleculen door een celmembraan

energiecarriers

In de module 'dynamiek' heb je geleerd dat de energie die vrijkomt bij verbranding van glucose in de mitochondriën in lichaamscellen wordt vastgelegd in energiecarriers. Deze energiecarriers leveren de energie die nodig is om stoffen die niet via diffusie door de cel kunnen worden opgenomen via transporteiwitten op te nemen.

verbranding & energiecarriers

verbranding: C₆H₁₂O₆ + 6 O₂ → 6 CO₂ + 6 H₂O + Σ (energie)

energierijke omgeving: ADP + P + Σ (energie) → ATP
energiearme omgeving: ATP → ADP + P + Σ (energie)

energiecarriers, mitochondrium & actief transport

Als de energiecarrier ATP energie afgeeft aan het transporteiwit verandert het transporteiwit zodat het transporteiwit grote moleculen door het celmembraan kan transporteren. Hierbij wordt de energierijke stof ATP omgezet in de energiearme stof ADP. Na het transport van grote moleculen door het celmembraan verandert het transporteiwit weer terug zijn oorspronkelijke vorm. De energiearme stof ADP wordt in de mitochondriën van de lichaamscellen weer omgezet in ATP. Zolang er voldoende ATP in de lichaamscellen aanwezig is kan de cel actief transport blijven uitvoeren.

31 Leg het begrip diffusie uit en gebruik in je uitleg het woord concentratieverval.

32 Leg in je eigen woorden uit waarom diffusie met het concentratieverval mee verloopt.

33 Welke eigenschappen heeft een semipermeabel membraan?

34 Waarom kunnen stoffen als water (H₂O), koolstofdioxide (CO₂) en zuurstof (O₂) door een semipermeabel membraan diffunderen?

35 Waarom kunnen eiwitten, vetten, koolhydraten, aminozuren, vetzuren, glycerol en suikers niet door een semipermeabel membraan diffunderen?

36 Waarom kost het transport van eiwitten, vetten, koolhydraten, aminozuren, vetzuren, glycerol en suikers door het celmembraan energie?

37 Welke energiecarrier speelt een rol bij het transport van grotere moleculen door het celmembraan?

38 Welke rol spelen mitochondriën bij de omzetting van ADP in ATP?

39 Welke rol speelt verbranding bij de omzetting van ADP in ATP?

40 Welke rol spelen transporteiwitten bij de omzetting van ATP in ADP?

osmose is een waterbak met een semipermeabel membraan

Als een bak met water een semipermeabel membraan (een vlies) wordt geplaatst en aan een kant van dit membraan suiker wordt toegevoegd, stijgt de waterspiegel aan de andere kant van het membraan. Dit wordt osmose genoemd.

Omdat suikermoleculen niet door het semipermeabel membraan kunnen, ontstaan aan de ene kant van het semipermeabel meer botsingen tussen moleculen dan aan de andere kant van het membraan. Deze botsingen tussen moleculen veroorzaken osmotische druk. Door deze osmotische druk verplaatsen zich meer watermoleculen van de ene kant van het semipermeabele membraan naar de andere kant. Aan de kant waar de suiker is toegevoegd stijgt de waterspiegel, terwijl de waterspiegel aan de kant waar geen suiker aan is toegevoegd daalt. De verplaatsing van water gaat zolang door totdat de osmotische druk in evenwicht is met waterverplaatsing.

41 Lees de onderstaande definitie van osmose nog een keer,

Osmose is de diffusie van water door een halfdoorlatend membraan (semipermeabel) tegen het concentratieverval in.

  • Waardoor ontstaat in het voorbeeld van een waterbak met een semipermeabel membraan na suikertoevoeging aan een kant van het membraan een concentratie verschil?
  • Leg een relatie tussen osmotische druk en concentratieverschil uit.
  • Leg uit dat als de waterspiegel aan de andere kant waar suiker is toegevoegd stijgt, dit een verplaatsing van water tegen het concentratieverval in is.
  • Leg uit waarom de waterverplaatsing eigenlijk een vorm van diffusie is.
  • Leg uit hoe het komt dat een evenwicht ontstaat door de waterverplaatsing.

42 Normaal gesproken zou je verwachten dat de waterspiegel sowieso aan de kant waar je suiker toevoegt zou stijgen. Je voegt per slot van rekening iets toe aan.

  • Zoek met behulp van Google op waarom je heel veel suiker kunt oplossen in een bakje (warm) water, zonder dat de vloeistofspiegel stijgt.
  • Test uit hoeveel gram suiker je kunt oplossen in een reageerbuisje dat bijna helemaal gevuld is met warm water.
    • warm water
    • reageerbuisje
    • suiker
    • roerstaafje
  • Maak foto's van je onderzoek en plak deze in je document.

Q context aardappel met zout

Als een kuiltje een half doorgesneden rauwe aardappel wordt gemaakt, en in dit kuiltje zout wordt gedaan, wordt dit keukenzout na enige tijd nat. Dit komt door osmose.

Als het zout in het kuiltje wordt gedaan is de concentratie van stoffen in het kuiltje in de aardappel veel hoger dan in de aardappel. Aardappelcellen zijn net als alle andere cellen omgeven door een celmembraan. Een celmembraan is een semipermeabel membraan dat wel watermoleculen, maar geen natrium- en chloride-ionen (keukenzout) doorheen kunnen.

Door het concentratie verschil tussen het aantal stoffen buiten de aardappel en het aantal stoffen in de aardappel ontstaat osmotische druk. Door deze osmotische druk diffunderen watermoleculen uit de aardappelcellen naar het zout in het kuiltje.

43 Leg aan het de hand van het bovenstaande het begrip osmose in je eigen woorden uit?

  • Voer dit proefje uit.
    • aardappel
    • schilmesje
    • zout
  • Maak foto's van je onderzoek en plak deze in je document.

44 Zoek met behulp van Google naar de begrippen 'zalmtrek' en 'paaigebied'.

  • Vat deze begrippen in je eigen woorden samen.

Q context zalmtrek

Als een volwassen zalm naar de paaigebieden trekt, zwemt de zalm van zoutwater naar zoetwater. In de zee is de concentratie van oploste stoffen in de zalm even hoog als de concentratie van zeewater. De kieuwen van een vis zijn niet bedekt met schubben of iets dergelijks, waardoor via de kieuwen osmose kan plaatsvinden. Als de zalm naar het zoete water zwemt, is de concentratie van opgeloste stoffen in de zalm hoger dan in het zoete water, omdat zeewater veel zouter is dan zoetwater. Hierdoor ontstaat een osmotische druk. Door deze osmotische druk stroomt via de kieuwen water in de zalm. Door het extra water in de zalm daalt de concentratie aan oploste stoffen in de zalm.

Na enige tijd in zoet water gezwommen te hebben is er zoveel water via de kieuwen in de zalm gestroomd, dat de concentratie aan opgeloste stoffen in de zalm hetzelfde is geworden als in het zoete water.
Zalmen zwemmen alleen aan het einde van hun leven naar paaigebieden. De jonge zalmen die in kleine zijriviertjes uit de eieren kruipen, zwemmen naar richting zee.

osmotische waarde

45 Als een zalm van zoutwater naar zoetwater zwemt, ontstaat osmotische druk. Osmotische druk ontstaat, als de osmotische waarde aan beide zijde van een semipermeabel membraan van elkaar verschilt.

  • $ Is de osmotische waarde in de zalm hoger dan de osmotische waarde van het water als de zalm van zoutwater naar zoetwater zwemt of andersom?

46 Als een zalm water opneemt via zijn kieuwen, wordt de zalm zwaarder.

  • $ Is een zalm die uit zoutwater komt en enige tijd in zoetwater heeft gezwommen zwaarder dan een zalm uit zoetwater komt en die enige tijd in zoutwater heeft gezwommen of andersom?

lolly

47 Als een tijd lang een lolly in je mond hebt gaat de binnenkant van je mond anders aanvoelen.

  • Leg uit dat dit komt doordat water vanuit je mondslijmvlies naar je mondholte diffundeert.
  • Is de osmotische waarde het hoogst buiten je mondslijmvlies of juist andersom?
  • Waardoor wordt als je een lolly in je mond hebt de osmotische druk veroorzaakt?

 

eigen onderzoek pantoffeldiertjes

Q context kloppende vacuole

Pantoffeldiertjes zijn kleine eencellige protisten. Pantoffeldiertjes leven van bacteriën die leven van rottend plantenmateriaal. Pantoffeldiertjes hebben een iets hogere osmotische waarde dan het slootwater waarin ze leven. Dit verschil in osmotische waarde houden pantoffeldiertjes in stand met behulp van een kloppende vacuole.

Tijdens de rustfase loopt de kloppende vacuole vol met water. Aan het einde van de rustfase trekt de kloppende vacuole samen, waardoor water uit de cel van het pantoffeldiertje wordt geperst. Omdat de kloppende vacuolen steeds water uit de cel van het pantoffeldiertje persen, houdt het pantoffeldiertje een hogere osmotische waarde dan zijn omgeving.

Met behulp van een microscoop is het kloppen van de kloppende vacuolen bij een vergroting tussen de 100x en 400x zichtbaar.

eigen onderzoek naar een kloppende vacuole opzetten

48 Stel een onderzoek op waarin je gaat onderzoeken of je de klopfrequentie (hoe vaak de kloppende vacuole samentrekt) kunt beïnvloeden met een verdunningsreeks van een zoutoplossing.

nodig:
  • kweekbak met pantoffeldiertjes
  • öse
  • reageerbuisrek
  • 10 reageerbuisjes
  • microscoop
  • zuigpipet (10 mL)
  • pippeteerballon
  • petrischaal
  • voorwerpglaasjes en dekglaasjes
  • maatcilinder
  • zout
  • weegschaal
  • telefoon
  • i Stel een plan van aanpak voor je onderzoek op.
  • Zoek met behulp van Google uit hoe je een verdunningsreeks moet maken.
  • Zoek met behulp van Google uit hoe je een zoutoplossing maakt die even zout is als zeewater.
  • Maak een verdunningsreeks met 10 reageerbuisjes met als uitgangspunt zeewater.
  • Maak tijdens het onderzoek foto's en plak deze in je document.
  • Verwerk de gegevens uit je onderzoek in een Google Sheet of Excelbestand en plak de tabel en grafiek in je document.

oefenvragen ?

!

begrippen

belangrijke begrippen:

  • organisatieniveaus
    • moleculen
    • organel
    • cel
    • weefsel
    • orgaan
    • orgaanstelsel
    • organisme
    • populatie
    • levensgemeenschap
    • ecosysteem
    • biosfeer
  • biologische eenheden
  • emergente eigenschappen
  • hoofdthema's
    • zelfregulatie
    • zelforganisatie
    • interactie
    • reproductie
    • evolutie
  • context
  • emergente eigenschappen
  • volumeprocent (% vol.)
  • massaconcentratie (ρ)
    • ρA = mA / V
  • dichtheid (ρ)
    • ρA = mA / V
  • kubieke meter (m³) kubieke decimeter (dm³) kubieke centimeter (cm³)
  • mol
  • molariteit
    • molariteit = mol (opgelost) / volume oplossing
  • alcoholgisting
  • destilleren
  • condensatie
  • verdampen
  • gist & vergisting
  • gist
  • diffusie
  • massaconcentratie en diffusie
  • diffusiesnelheid
  • concentratieverval
  • semipermeabel membraan
  • celmembraan
  • diffusie door een celmembraan
  • passief transport
  • actief transport
  • verbranding
  • energiecarriers
  • ATP & ADP
  • mitochondrium
  • osmose
  • kloppende vacuole bij pantoffeldiertjes

!

doelen

wat moet je kunnen:

  • Je moet de organisatieniveau en biologische eenheden kunnen benoemen en herkennen.
  • Je moet weten wat een emergente eigenschap is.
  • Je moet de hoofdthema's van de biologie kennen en kunnen omschrijven.
  • Je moet biologische hoofdthema's op alle organisatieniveaus kunnen toepassen.
  • Je moet weten wat een context is.
  • Je moet emergente eigenschappen kunnen herkennen in een context.
  • Je moet hoofdthema's uit de biologie kunnen herkennen in een context.
  • Je moet weten wat volumeprocent (% vol.) is en je moet kunnen rekenen met volumeprocenten.
  • Je moet weten wat massaconcentratie (ρA) is en je moet kunnen rekenen met massaconcentratie.
  • Je moet weten wat dichtheid (ρ) is en je moet kunnen rekenen met dichtheid.
  • Je moet weten dat één mol bestaat uit 6,02214✕10²³ deeltjes.
  • Je moet kunnen rekenen met molen.
  • Je moet de reactievergelijking van fotosynthese kloppend kunnen maken.
  • Je moet weten wat alcoholgisting is.
  • Je moet de reactievergelijking van alcoholgisting kloppend kunnen maken.
  • Je moet kunnen uitleggen hoe destilleren werkt.
  • Je moet het verschil tussen condensatie en verdampen weten.
  • Je moet een eigen onderzoek naar alcoholgisting met behulp van Coach 7 kunnen opzetten
  • Je moet weten wat diffusie is.
  • Je kunt een relatie leggen tussen massaconcentratie en diffusie.
  • Je moet kunnen aangeven waar de diffusiesnelheid van afhankelijk is.
  • Je moet een eigenonderzoek naar diffusiesnelheid kunnen opzetten.
  • Je moet een gefundeerde discussie kunnen opzetten naar aanleiding van je onderzoek.
  • Je moet weten wat osmose is.
  • Je moet het begrip osmose kunnen toepassen in context.
  • Je moet begrippen als osmotische druk en osmotische waarde kunnen toepassen binnen het begrip osmose.
  • Je moet kunnen uitleggen waarom osmose de diffusie van water door een semipermeabel membraan tegen het concentratieverval in is.
  • Je moet weten wat actief en passief transport is.
  • Je moet weten welke rol energiecarriers spelen bij actief transport.
  • Je moet weten dat ATP energie afgeeft in een energiearme omgeving en dat ADP energie opneemt in een energierijke omgeving.
  • Je moet een eigen onderzoek kunnen opzetten waarbij je de kopfrequentie van de kloppende vacuole van een pantoffeldiertje beïnvloed.